Adventstijd

Lied 453 Wachters van de tijd

In het lied ‘Maranatha’ van Tom Naastepad (1921-1996) komen verschillende tekstuele motieven voor die verwijzen naar de Lofzang van Zacharias (Lucas 1, 68-79), dat deel is van de evangelie-lezingen in deze Advent. Tot deze motieven behoren het licht dat zal opgaan, de begroeting van de dageraad en de kracht die uit het huis van David zal komen. Eigenlijk werd het lied geschreven voor de derde Adventszondag. De klassieke introïtus-antifoon, Filippenzen 4, 4-5, is herkenbaar in de oproep tot vreugde. In de vierde strofe wordt verwezen naar Johannes 1, 19-28, dat volgens de Lutherse traditie op de vierde Adventszondag wordt gelezen. De laatste strofe benadrukt dat het wachten en verwachten van de Heer als bruidegom in het bijzonder in de viering van brood en wijn gestalte krijgt.

Naastepad verstaat Advent in eschatologisch perspectief. De ‘Wachters van de tijd’ doen ons denken aan het beroemde ‘Lied van de wachters’ van Philipp Nicolai (lied 749). Is het toevallig dat het openingsmotief van de melodie van Frits Mehrtens (1922-1975) gelijk is aan dat van zijn beroemde voorganger? Ook de laatste regel begint met hetzelfde melodische motief, om dan te eindigen op een stralende hoge ‘d’ bij het woord ‘licht’.

Lied 460 De nacht loopt ten einde

Huub Oosterhuis schreef dit lied, een van zijn vroegste, vanuit de Schriftgedeelten voor de eerste zondag van Advent volgens het 16e eeuwse Missale Romanum. Het refrein ‘De nacht loopt ten einde, de dag komt naderbij’ (uit Romeinen 13, 12) is een deel van de epistellezing, terwijl de tekst van de strofen vooral verwijst naar het evangelie van die zondag (Lucas 21, 25-33).
In de strofen zijn voldoende verwijzingen te vinden naar het evangelie dat vandaag volgens het Oecumenisch Leesrooster wordt gelezen. Strofe 2 spreekt over de tekens aan zon en maan (Marcus 13, 24). Het beeld van de vijgenboom, waarvan de uitbottende takken een teken van de nieuwe tijd zijn, wordt in de vierde strofe bezongen (vgl. Marcus 13, 28). De eerste en de laatste strofe doen sterk aan Jesaja 9 denken, de profetenlezing voor de Kerstnacht. Daardoor is dit lied ook voor dat moment geschikt.
Oorspronkelijk is het refrein gedacht voor allen en de strofen voor koor, maar het lied kan ook in het geheel door de gemeente gezongen worden. Let wel op de tekstplaatsing in de strofen 2 en 5 (daarvoor zijn de noten met de stokken naar beneden). Directe aansluiting tussen refrein en strofen is noodzakelijk (dus geen rusten!).

Lied 739 Wat heeft Maria ons bewaard

Een lied over Maria is in protestantse kringen nog geen gemeengoed. Dat is jammer, want over de moeder van Jezus wordt in de Bijbel het nodige verteld. Vooral in het begin van het Lucasevangelie speelt zij een belangrijke rol. Twee keer vermeldt de evangelist dat Maria de woorden die zij hoorde in haar hart bewaarde (Lucas 2,19 en 2,51). De sleutel tot het verstaan van het lied is daarom het slot van strofe 6, waarin naar deze tekst wordt verwezen.
Elke voorgaande strofe vertelt wat er tot Maria werd gezegd volgens het Lucasevangelie, achtereenvolgens door de engel (1), door Elisabet (2), door de herders (3), door Simeon (4) en door Jezus als Hij in de tempel de boekrol opent (5). Muus Jacobse schreef de ballade-achtige tekst; Jaap Mettau een goed passende, verhalende melodie, waarbij in de eerste twee regels de gemeente steeds aan Maria de vraag stelt wat zij hoorde. Een solostem beantwoordt de vraag. De laatste strofe wordt in het geheel door allen gezongen. Een ballade vraagt erom om in het geheel gezongen te worden, niet alleen de strofe die op een betreffende zondag aan de beurt is. Zo blijft de context, waarbinnen Maria verstaan moet worden, bewaard.

Lied 745 Uit de schemer van de tijden

In de rubriek ‘geloofsgetuigen’ treft men in het Liedboek enkele liederen aan over mensen die in hun wijze van leven een voorbeeld voor ons zijn. Nog steeds vertellen wij verhalen over hen. Eén van hen is Sint Nicolaas en nu zijn sterfdag, 6 december, op zondag valt, is dat ene goede aanleiding om het lied over hem te zingen.
In de eerste strofe maakt dichter Andries Govaert (*1954) meteen helder hoe wij deze geloofsgetuige mogen verstaan: als oergestalte, beeld van God erbarmen. Sint Nicolaas is patroonheilige van on andere kinderen (2, 3), reizigers (4) en schippers (5). In de derde strofe wordt verwezen naar één van de legenden over Sint Nicolaas: hij bevrijdt drie dochters van een arme man door buidels met goud in het huis te strooien. Daaraan is het strooien op deze dag ontleend.

Een lied over Sint Nicolaas, in die lijn mag ook de laatste regel worden verstaan. Er staat niet: ‘bid voor ons’, maar ‘pleit voor ons’. Dat kan beschrijvend verstaan worden. Betekent het vieren van het Sinterklaasfeest ook niet dat wij allen op onze beurt vrijgevig, barmhartig en liefdevol als Sint Nicolaas kunnen zijn?