Herfsttijd

Lied 279 Met koning David zingen wij

De titel van dit lied, ‘Intochtslied’, geeft de functie aan: een lied om te zingen bij het begin van de kerkdienst. Het is een lied dat goed met kinderen is te zingen. Joke Ribbers schreef een morgenlied en liet zich inspireren door Psalm 108, 1-7. Die psalm draagt als opschrift: ‘Een lied, een psalm van David’. Zo zingen wij met David mee een psalm (strofe 1). Het is een loflied voor God wiens trouw tot in de hemel reikt (Psalm 108, 5; strofe 3) en die volken bevrijdt (Psalm 108, 7; strofe 2). De dichteres wist zo met eenvoudige taal een bijbels en functioneel lied te schrijven.

Cees van Walsum schreef een goed passende melodie bij deze tekst. Oorspronkelijk waren de notenwaarden twee keer zo lang, maar voor het Liedboek is gekozen voor een tweekwartsmaat met een ritme in kwarten en achtsten, om zo de suggestie te wekken het lied niet te langzaam te zingen.

Lied 775 Dag der dagen, als de tijden

In de klassieke Latijnse uitvaartliturgie, het Requiem, komt de sequens ‘Dies Irae’ voor. Een vertaling van die sequens stond als Gezang 278 in het Liedboek voor de kerken. Het beschrijft op een huiveringwekkende wijze het laatste oordeel. Dat huiveringwekkende karakter klinkt door in veel Requiem-composities (denk o.a. aan Mozart en Verdi).
Deze donkere tekst is in onze liturgie niet meer bruikbaar. Daarom schreef Niek Schuman (*1936) een alternatief, waarin juist de lichtzijde wordt benadrukt, want die dag zal de bevrijding zijn van allen die leden, en lijden, onder onrecht. ‘Dag der dagen, als de tijden / zich tot heil zullen verwijden…’ Woorden van heil mogen klinken over die dag. Woorden van een ontroerende eenvoud, maar daarom zo treffend. Zo is het een waardig lied voor een voleindingszondag.

De dichter gebruikt hetzelfde metrum en rijmschema als de oorspronkelijke tekst. De melodie van Fokke de Vries (*1945) onderstreept de lichtzijde van de tekst: een stralende melodie als één geheel met het melodisch hoogtepunt al in de eerste regel.

Lied 916 Je kunt niet dieper vallen

Arno Pötzsch (1900 –1956) werkte als marinepredikant en was tijdens de Tweede Wereldoorlog enkele jaren in Den Haag gestationeerd. Veel Nederlanders die in problemen kwamen door de nazi’s vonden bij Pötzsch een luisterend oor. Zo bezocht hij verzetsstrijders in de Scheveningse gevangenis. In 1940 kreeg hij de opdracht om in Parijs te pleiten voor de vrijlating van iemand die door de nazi’s ter dood veroordeeld was. Helaas kon hij de man niet redden. Tijdens zijn verblijf in Parijs zag hij in een museum het beeld ‘La main de Dieu’ (de hand van God) van Auguste Rodin. De beschermende hand van God werd het motief van dit lied, dat hij bij terugkeer in Den Haag schreef.

Er wordt vermoed dat Pötzsch zich ook (net als Ad den Besten bij lied 920) heeft laten inspireren door het slot van het gedicht ‘Herfst’ van Rainer Maria Rilke. De liedtekst behoeft geen nadere toelichting en kan ook van betekenis zijn in het persoonlijk gebruik en in het pastoraat. Voor het Liedboek werd gekozen voor de melodie die ook in Zwitserland bij deze tekst wordt gebruikt.

Lied 948 Als Gij er zijt

In de serie ‘Lied van de week’ worden niet alleen liederen gekozen bij de lezingen van de betreffende zondag of de tijd van het jaar. Het kan ook een lied zijn dat algemeen bruikbaar is in de liturgie of een lied dat meer in persoonlijke situaties een rol kan spelen. Ook dan zal de liturgie van de gemeente de huisliturgie moeten voeden zodat een lied paraat is als goede of kwade dagen daarom vragen.

Hoewel een lied ook verstaan moet kunnen worden als de omstandigheden waaronder het ontstond niet bekend zijn, wordt deze tekst nog veelzeggender als we wel iets weten over het ontstaan. Willem Barnard schreef de woorden voor de theoloog Dirk Monshouwer (1947-2000) in de laatste weken van diens leven. De tekst is typerend voor de late liederen van deze dichter, waarin twijfel opvallend vaak aan het woord is: ‘Als Gij er zijt…’
De opening van het lied is veelzeggend: de Eeuwige die zich heeft doen kennen met de naam ‘Ik-zal-er-zijn’ wordt aangesproken: ‘Als Gij er zijt, wees dan aanwezig…’, maar dan niet als een alles verzengend vuur. Het is een verwijzing naar de openbaring van God aan Mozes (Ex.3). Nu is een ander beeld van God aan de orde: ‘een schaduw van uw hand om in te schuilen, dat wij leven al zijn wij dood…’(strofe 1 en 2). Misschien dacht de dichter daarbij aan Johannes 11, 25: ‘Wie in Mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft.’

De melodie van Willem Vogel is eenvoudig en dienstbaar aan de tekst. Opvallend is dat de melodie niet op de grondtoon eindigt. Zo onderstreept deze het vragende karakter van de tekst, die zich allereerst laat lezen als een gebed.

Lied 993 Samen op de aarde

De lezing uit het boek Genesis (het alternatieve rooster, met de Abraham-verhalen) verhaalt o.a. over de scheiding tussen Abraham en Lot, in Genesis 13. Daarbij kan dit lied goed gezongen worden. Over scheiden en tegenstelling, en toch samen op de aarde…

Oorspronkelijk schreef Willem Barnard het bij een andere perikoop uit dit bijbelboek, bij Genesis 34, over het met moeite gesloten verbond tussen Jakob en Sichem. Maar die namen worden in de liedtekst niet genoemd en het bestrijkt ene bredere thematiek, aangegeven in de titel van het lied: ‘Van kerk en wereld’. Als het om die verhouding gaat, moeten tegenstellingen met elkaar verzoend worden. Alleen zo kan wat God geschapen heeft in stand worden gehouden, strofe 1 en 2. De tegenstellingen worden benoemd: het westen en het oosten, voor- en nageslacht, Israël en Egypte, stem en tegenstem. De tegenstellingen worden ook verzoend, zoals strofe 6 zegt: ‘want hij zal verzoenen / wat vijandig is, / nieuwe namen noemen / voor een oud gemis.’
Het lied is in de herfsttijd algemeen bruikbaar. De eenvoudige melodie van Kenneth George Finlay (1882-1974) is ook bekend van het adventslied ‘Licht in onze ogen’, lied 463.

Lied 1014 Geef vrede door van hand tot hand

Fred Kaan (1929-2009) was een belangrijke dichter van kerkliederen in Engeland. Hij werd in Nederland geboren. Zijn jeugdjaren zijn bepalend geweest voor zijn latere werk als predikant en schrijver van liederen. Zijn ouders waren in de oorlog actief in het verzet en dat bracht hem tot een pacifistische overtuiging. In 1952 ging hij in Engeland studeren. Hij werd vervolgens predikant in de Congregational Church. In zijn werk had hij bijzondere aandacht voor oecumene en mensenrechten. Zijn teksten getuigen van zijn diaconale bewogenheid.

Het lied ‘Put peace into each other’s hand’ schreef Kaan in 1987. Het was één van de prijswinnaars in een BBC-Songs of Praise-Festival. Het lied heeft een plaats gekregen in de rubriek ‘Vrede’, maar het had evengoed in de rubriek ‘Avondmaal’ kunnen staan. Wij geven vrede aan elkaar door, als brood om uit te delen (strofe 3). Zo geven wij Christus door van hand tot hand (strofe 5). Het lied wordt ook in Engeland gezongen op een eenvoudige Ierse melodie.