Kerst- en Epifanie-tijd

Lied 471 – In dulci jubilo

Op geen enkel ander moment op de kerkelijke kalender naderen de wereld ‘buiten’ en die ‘binnen’ de kerk elkaar zo dicht als met Kerst. Kerst lijkt overal wel gevierd te worden. Wat je precies viert, en hoe dan, wat ‘echt’ is en wat ‘bijgeloof’ - daar verschillen de meningen en insteken wel over. Hoe dan ook, Kerst is altijd een feest geweest met een volks karakter. Dat blijkt eens te meer uit lied 471, een lied met zogeheten ‘mengtaal’. Hier komen het hemelse en het aardse samen, hier ontmoet de taal van de straat de taal van de kerk. Het lied laat zien wat er met Kerst gebeurt: de hemel raakt de aarde, het Woord is mens geworden (Joh. 1: 14). ‘In dulci jubilo’ - ‘ligt kraaiend in het stro’.

De aanpak van Buxtehude inspireert ook nu nog. Zet meerdere instrumenten in bij lied 471, zodat het ook wat betreft de muziek een ‘mengtaal’ wordt: blazers, strijkers, toetsenisten - en vergeet de slagwerkers niet! (Wim Ruessink)

 


Het lied ‘In dulci jubilo’ behoort tot de oudste kerstliederen. De oorsprong ligt in Duitsland, het werd in de 14e eeuw geschreven. Het bijzondere van dit lied is dat het een zogenaamd ‘mengtaallied’ is: regels in het Latijn en in de volkstaal wisselen elkaar af. Rond 1500 verschijnt een vertaling in Nederland en ook dan is het een mengtaallied. In latere eeuwen zijn nog andere Nederlandse vertalingen verschenen, maar al deze teksten zijn niet geschikt voor gebruik in de eredienst in onze tijd.
Om dit lied voor onze tijd te bewaren, werd door de redactie van het Liedboek aan Andries Govaart de opdracht gegeven een meer toegankelijke tekst te schrijven met behoud van de originele structuur, dus ook met de Latijnse zinnen. In deze tekst is het typerende van het oude lied bewaard gebleven: korte zinnen die toch een geheel vormen.
Voor de kerkmuziek is ‘In dulci jubilo’ van grote betekenis, onder andere door de bewerkingen van Samuel Scheidt, Michael Praetorius (een schitterende zeskorige bewerking!) en Dietrich Buxtehude. Een Latijns-Engelse tekstversie is bekend van Engelse Kathedrale koren. Het lied vraagt om een levendige uitvoering.

Lied 516 Van ’t vroeglicht van de dageraad

De dichter Caelius Sedulius (5e eeuw) schreef een lied over de weg van Christus, van geboorte tot opstanding. Het lied telt 23 strofen, waarbij elke strofe met een volgende letter van het alfabet begint (alle letters van ons huidige alfabet minus de letters j, u en w). Een gedicht met dit kenmerk heet een ‘abecedarium’. In de vertaling van Jan Willem Schulte Nordholt is dit kenmerk niet meer te zien. Dit lied kwam met een selectie van elf strofen ook voor in het Liedboek voor de Kerken (gezang 156), maar is nauwelijks bekend geworden. Daarom nu aandacht voor dit lied dat in het nieuwe liedboek verder ingeperkt is tot een epifaniënlied. Na een openingsstrofe over de verschijning van het licht komen achtereenvolgens de drie motieven van Epifanie aan de orde: de aanbidding van de wijzen (strofe 6 in Liedboek voor de Kerken), de doop van de Heer in de Jordaan (strofe 8) en het teken te Kana (strofe 10). Een lofprijzing sluit het lied af.
De melodie laat goed zien hoe in de vroege Reformatie gregoriaanse melodieën voor gemeentezang geschikt werden gemaakt. Een goed zingbare melodie, die aan het slot de nodige aandacht van de zanger vraagt (bij ‘on-ze Heer’).

Lied 521 - Hij komt niet uit de grote stad

In 1983 schreef de theoloog Karel Deurloo (*1936) een boekje over de profeet Micha, waarbij hij vooral ook de plaats van kinderen in de eredienst op het oog had. Daarin stond een lied bij Micha 5. In datzelfde boekje wordt de speelse tekst van het lied bij Micha gevarieerd en omgevormd tot een lied voor Epifanie: een lied over de wijzen uit het oosten. De tekst richt zich zo meer op Jezus, maar de achtergrond van Micha blijft herkenbaar. Zie vooral strofe 4, die gebaseerd is op Micha 5,1. De melodie van Jetty Podt (*1963) is niet de eerste die bij deze tekst werd geschreven, maar eerdere melodieën achtte de Liedboek-redactie niet bruikbaar. Daarom werd aan Podt gevraagd een nieuwe melodie te schrijven. Dat deed ze in de stijl die we van haar al kenden (vergelijk de melodie van LB 533): een melodie in een heldere structuur met enkele herhalingen en een duidelijke ritmische profilering.