Paastijd 2015

Lied 629 Ik ben in mijn hof gekomen

In de synagoge is Hooglied de feestrol van Pasen. Op onze paaszondag begint het gemeenschappelijk leesrooster met de lezing van dat bijbelboek, dat heel goed samenklinkt met epistel- en evangelie-lezingen. Zo zullen de Schriften in de paastijd meervoudig klinken.
Al vanaf de vroegchristelijke kerk verstaat men Christus als de bruidegom van de gemeente.
Tom Naastepad schreef een mooi lied waarin het Hooglied en Johannes 20 : 11-18, het evangelie van de paasmorgen, op elkaar worden betrokken. De tekst moet verstaan worden vanuit het perspectief van Christus. Maar tegelijk wordt de gemeente de ik-figuur, de gemeente als het lichaam van Christus. Dit lied kan steeds gebruikt worden als het Hooglied wordt gelezen.
Naastepad schreef zijn teksten op bestaande melodieën, maar niet om gemakkelijk op een bepaald metrisch schema te leunen. Hij koos de leenmelodie zorgvuldig uit. Zo geeft hij aan een oud lied weer een nieuwe dimensie. Deze melodie behoort oorspronkelijk bij het paaslied ‘Jesus Christus, unser Heiland’ van Martin Luther (zie het Liedboek voor de Kerken, lied 204).

Lied 631 Tussen waken, tussen dromen

Het paasevangelie (Matt. 28,1-10) vertelt dat vrouwen als eersten bij het lege graf komen. Dit lied van Hanna Lam verhaalt dat gebeuren: de vrouwen als eerste getuigen van de opstanding. Zij horen het bericht van de engel (couplet 1). Het lied verstaat Pasen als het begin van nieuw leven: vrouwen, ‘zij die zich als eersten buigen / over leven in haar schoot’, zijn de kroongetuigen van dit bevrijdende begin. Dit nieuwe leven is voor hen een voorgoed begonnen bevrijding (couplet 2). Juist vrouwen, die in de traditie ‘weggeschoven’ werden en ‘ongehoord’ waren, mogen vanuit dat ‘sprakeloze verleden’ als eersten ‘een nieuwe tuin betreden’ (couplet 3): dat wordt beschreven met woorden van een nieuwe lente (couplet 4). Dit lied verscheen voor het eerst in de uitgave van Eva’s Lied (1984) met een melodie van Barbara Zwaal. Die melodie werd ook bij dit lied geplaatst in het derde deeltje van Zingend Geloven. De liedboekredactie vond deze melodie kwalitatief niet voldoende en koos voor de sierlijke melodie van Heinrich Albert (1604-1651) die hij schreef bij zijn morgenlied ‘Gott des Himmels und der Erden’. Voor een vertaling daarvan, zie lied 210. 

Lied 652 Zing jubilate voor de Heer

De vierde zondag in de Paastijd draagt vanouds de naam Jubilate, genoemd naar de eerste woorden van de introïtus-antifoon: ‘Jubilate Deo omnis terra’. Dat is het begin van Psalm 66: ‘Jubel voor God, heel de aarde’(verg. ook lied 640c).
Willem Barnard schreef in de tweede helft van de jaren vijftig veel nieuwe liederen, gebaseerd op het klassieke liturgische jaar. Voor de Paastijd dichtte hij een aantal zondagsliederen, met steeds de antifoontekst als uitgangspunt. Deze liederen zijn dan ook zeer geschikt om als openingslied op de betreffende zondag te zingen. In het Liedboek voor de Kerken stonden er enkele (nu lied 650, 655 en 659), maar ‘Zing jubilate voor de Heer’ werd niet opgenomen. In Vlaanderen wist men er wel raad mee: het liedboek voor de rooms-katholieke kerkprovincie daar, dat in 1977 verscheen, droeg als titel: Zingt Jubilate. Ook de nieuwe editie uit 2006 behield die titel.
Het lied kan beschouwd worden als een trinitarische doxologie: een lofprijzing op de Drie-ene God. In de strofen 1 en 2 is de openingszin van Psalm 66 tot een lofzang uitgebreid, waarin de gehele kosmos wordt betrokken. Strofe 3 bezingt de Zoon, strofe 4 de Geest die de adem schenkt. Vanwege het trinitarische karakter kan dit lied goed functioneren als gloria.
De melodie van Frits Mehrtens is even stralend als de tekst. Elk couplet begint met ‘Zing jubilate’ en eindigt met ‘jubilate!’. Zowel aan het begin als aan het eind klinkt dan de hoogste melodienoot.

Lied 667 Hij leeft

Dit lied staat als hemelvaartslied te boek, maar als we de tekst van Sytze de Vries goed bestuderen, zien we dat het vaker gebruikt kan worden. De inzet van elke strofe - ‘Hij leeft ’- maakt duidelijk dat we ons nog in de Paastijd bevinden. Dit lied is dus ook een paaslied! Hoe we ons de Opgestane moeten voorstellen, wordt in dit lied bezongen: in liefde die mensen verbindt (strofe 2); in de woorden die wij zingen (strofe 3); in het brood dat van hand tot hand gaat (strofe 4) en in het gebed (strofe 5). Op de zondag van de Paastijd wordt uit Johannes 14-16 gelezen. Veel daarvan komt in de woorden van dit lied terug. Zo wordt het een lied dat de gehele Paastijd (en verder…!) gezongen kan worden. Ten opzichte van de versie in Zingend Geloven (deel 8, nr. 15) is de tekst iets gewijzigd. Twee strofen zijn niet opgenomen en de laatste strofe is tot een belijdenis geworden: ‘Gij leeft…’
De melodie van Willem Vogel onderstreept het feestelijke karakter van de tekst. De melodie van de eerste regel lijkt een uitbeelding van de hemelvaart in klank.

Lied 685 Geest van God, zo vol van liefde

De Nieuw-Zeelandse Shirley Erena Murray (*1931) is een van de belangrijkste schrijvers van liederen in het Engelse taalgebied. Vooral in de Verenigde Staten worden haar liederen veel gezongen. Die liederen zijn in vele talen vertaald en vallen op vanwege het inclusieve taalgebruik.
Dat zien we duidelijk in lied 685, waarin met intimiteit over de Geest wordt gesproken. De moederlijke kwaliteiten worden in de tweede strofe benoemd: omhelzend, met haar lichaam voedend. In de derde strofe verwoordt de dichteres ook vaderlijke aspecten van de Geest: het beeld van een kind dat op de schouders wordt gezet om de wereld goed te kunnen zien. De vierde strofe benoemt de Geest als ‘lieve vriend’(in de oorspronkelijke taal ‘friend and lover’) . De eerste en de laatste strofe zijn gelijk en vatten alle beelden samen.
Voor het Liedboek werd gekozen voor de melodie die in de Evangelisch-Lutherse Kerk van Noord-Amerika met deze tekst is verbonden: een vroege Amerikaanse volksmelodie, voor het eerst opgetekend in een bundel in 1835.

Lied 808 In diepe nacht ben ik gegaan

Dit lied kan, net als het vorige, steeds gezongen worden als het Hooglied *) aan de orde is. Hoewel de tekst van Huub Oosterhuis bij het gehele Hooglied past, zijn enkele fragmenten daaruit specifiek herkenbaar. In strofe 2 is Hooglied 5, 6 terug te vinden: ‘Ik zocht hem, maar ik vond hem niet, ik riep hem, maar hij antwoordde niet.’ Andere fragmenten uit het Hooglied die we in de tekst herkennen, zijn Hooglied 3, 1-4 en 8, 2-4.
Oosterhuis schreef zijn vorige liederen vaak op bestaande melodieën die voor velen bekend waren, zodat mensen makkelijk konden meezingen. Voor dit lied koos hij het oud-Nederlandse kerstlied ‘Ons is geboren een kindekijn’. Voor velen in onze tijd zal die melodie niet meer bekend zijn, zodat er geen kerstassociaties opkomen.
De vierde strofe vraagt bij het zingen enige aandacht. De eerste noot van de melodie vervalt en de tweede wordt in tweeën gesplitst, zodat het tekstaccent op ‘lief-de’ goed klinkt.


*) Tussen Pasen en Pinksteren kiest het Gezamenlijke Leesrooster als alternatieve lezing voor gedeelten uit het boek Hooglied. Hooglied is één van de vijf Joodse feestrollen en wordt in de synagogen elk jaar bij het Pesachfeest voorgelezen. doordat er een verbinding gelegd wordt met de bevrijding van Pesach en Pasen, komen de woorden uit het Hooglied in een heel nieuw licht te staan.