Veertigdagentijd

Lied 539 Jezus, diep in de woestijn

Op de eerste zondag van de Veertigdagentijd wordt (volgens de klassieke lezingen) uit het evangelie gelezen over de verzoeking in de woestijn. Het lied ‘Jezus, diep in de woestijn’ is afkomstig uit het derde deeltje Alles wordt Nieuw, de bekende verzameling kinderliederen van Hanna Lam en Wim ter Burg. Later werd dit lied ook in andere bundels opgenomen. De kwaliteit van deze liederen wordt alom erkend. Die kwaliteit toont zich in het trouw volgen van de bijbeltekst en de taal die nooit kinderachtig is. Zo zijn het duurzame liederen voor de hele gemeente. Opvallend is dat in deze liedtekst het woord ‘duivel’ niet wordt gebruikt, maar omschreven als ‘tegenspreker’ en ‘tegenstander’. Het eerste couplet kan als een inleiding worden verstaan, vgl. Matt.4, 1-2. In het tweede couplet komt de broodvraag aan de orde (Matt.4, 3-4), in het derde en vierde couplet vervolgens de twee andere verzoekingen (Matt.4, 5-7 en 8-10)Jezus bezwijkt niet voor die verzoekingen en dat wordt weer mooi verwoord met ‘Hij bleef het met Gods woorden wagen’. De tekst wordt ondersteund door een eenvoudige melodie van Wim ter Burg. 

Lied 543 Gij zijt in glans verschenen

Op de tweede zondag van de Veertigdagentijd wordt elk jaar (met de klassieke lezingen) het evangelie gelezen over de verheerlijking op de berg. Het lied ‘Gij zijt in glans verschenen’ is daarbij geschreven. De dichter, Gabriël Smit (1910-1981), schreef geen berijming van die tekst, maar een meditatie over het lijden van Christus in het licht van de opstanding. Dat lijden wordt hier niet beschreven als een feit van lang geleden; Christus lijdt dagelijks aan de nood van de wereld (strofe 2), zijn lijden is zijn dagelijkse dood. Christus’ verschijning in heerlijkheid is al een beeld van de opstanding (zie het tweede gedeelte van de tweede en derde strofe).
Het lied behoort tot de vroege rooms-katholieke liederen in de volkstaal bestemd voor de liturgie en dateert uit de jaren vijftig van de twintigste eeuw. De melodie van Herman Strategier (1912-1988) is oorspronkelijk geschreven bij een paaslied van Louis Huf, maar leeft nu voort met deze tekst. De A-A-B-A-vorm van de melodie met de identieke eerste, tweede en vierde regelparen komen we vaak tegen bij volksliederen – denk bijvoorbeeld aan ‘De winter is vergangen’. Door die herhalingen is de melodie eenvoudig te zingen.

Lied 546 Wees blijde nu, in ’t midden van het lijden

De vierde zondag in de Veertig Dagen is het midden van de Vastentijd, ‘het midden van het lijden’. Op deze zondag is de vreugde van Pasen al merkbaar, voordat de passie tot klinken komt. De kleur paars licht op tot rozerood (strofe 4, regel 4). Willem Barnard schreef de tekst, zoals hij zei, ‘naar de motieven van Klein Pasen of Laetare’. Die motieven moeten dan wel gezocht worden in de gegevens van het klassieke leesrooster.
De introïtus van deze zondag bestaat uit Jesaja 66, 10-11 en Psalm 122, de vreugde om Jeruzalem, de vredesstad (strofe 1), de stad van de belofte (strofe 3). Het klassieke epistel, Galaten 4, 22-31, noemt het hemelse Jeruzalem (‘de stad die boven is’, strofe 2) in één adem met Sara (‘verheug u, want gij zijt niet vruchteloos’, strofe 1). Het evangelie van deze zondag, Johannes 6, 1-15, vertelt over de brooddeling (strofe 4).
Aanvankelijk schreef Barnard zijn woorden op de melodie van Psalm 110. Later gaf hij de voorkeur aan de melodie van Willem Vogel, omdat ‘déze woorden gebaat zijn met een ‘liedje-achtige’ toonzetting’.

Lied 554 Welkom, welkom, koning Jezus

Elk van de vier evangelisten vertelt over de intocht van Jezus in Jeruzalem, maar alleen Lucas (19, 41-44) weet van het wenen van Jezus over deze stad. Nu wij dit jaar het intochtsverhaal volgens Lucas horen (en waarom dan ook niet doorlezen tot en met vers 44?), is lied 554 daarbij een passend lied. Ria Borkent (*1950) verwerkt ook dit element in haar tekst (strofe 3). Daarbij zijn de woorden van het refrein na strofe 3 juist anders dan bij de andere strofen. Ook in de tweede strofe zit een uniek Lucas-element: de woorden van Jezus dat ook al zouden mensen zwijgen, de stenen het zouden uitschreeuwen.

Toen Willem Vogel (1920-2010) in 2002 zijn actieve werk als kerkmusicus in de Oude Kerk in Amsterdam beëindigde – en er geen noodzaak was om regelmatig voor de liturgische praktijk van die kerk te schrijven – ontstond een bescheiden samenwerking met Ria Borkent. Daarvan zijn onder andere drie liederen in het Liedboek het resultaat: naast lied 554 zijn dat de nummers 188 en 508. De melodie van 554 toont de kenmerken van het werk van deze nestor van de kerkmuziek: een uitstekende verbinding met de tekst en altijd goed zingbaar voor de gemeente.

Lied 555 Dans en zing: hosanna voor de koning

Een zang- en speellied voor de feestelijke intocht op Palmpasen. Als de kinderen met hun versierde palmpaas-stokken de kerk in lopen, is het niet handig om ook nog een liedboek of liturgieblad in de hand te moeten hebben. Een eenvoudig lied dat uit het hoofd wordt gezongen ( de Engelsen zeggen by heart) is dan functioneel. De kinderen kunnen het refrein zingen, de overige gemeenteleden de strofen en eventueel ook het refrein. Slaginstrumenten kunnen de feestvreugde verhogen. Herhaal het lied totdat de intocht ten einde is en ieder zijn of haar plaats heeft ingenomen. Tekst en melodie vragen om een dansante uitvoering.
Dit lied is oorspronkelijk afkomstig uit de bundel Bijbelliederen voor jonge kinderen die de muziekpedagoog Jan. D. van Laar schreef.

Lied 611 Wij zullen leven, God zij dank

Dit lied van Sytze de Vries werd oorspronkelijk geschreven voor de Paasnacht, als de gemeente haar doop gedenkt. Maar in de gehele Paastijd leven wij vanuit dat bijzondere moment: ‘In dood gedompeld waren wij, nu met Hem stralend nieuw verschenen!’(couplet 4, vgl. Rom. 6: 4-6). Een andere bouwsteen voor dit lied is Romeinen 8: 10-18, waar de apostel zijn lezers oproept zich te laten leiden door de Geest van God. Die Geest wordt in de doop op ons gelegd. Zo leeft Christus in ons en worden wij levend door de Geest: ‘Nu wordt uw Geest op ons gelegd, in vrijheid brengt Gij ons terecht’(couplet 2). Israël trok de Schelfzee door en werd zo erfgenaam  van een nieuw land, ‘dat nooit meer vruchteloos verzandt, waar onrecht nimmermeer zal wonen’(couplet 1). Gaande door het water staan ook wij in die traditie, hebben wij deel aan de bevrijding uit Egypte. Zo zijn wij genoemd als dochters en als zonen, de erfgenamen van die belofte. Het lied sluit ook goed aan bij de lezing uit 1 Petrus voor deze zondag. Willem Vogel schreef een krachtige melodie bij de tekst, wellicht een uitbeelding van de woorden ‘God zij dank’(couplet 1) en ‘stralend nieuw verschenen’ (couplet 5). De tweede en vierde melodieregels zijn herhalingen van de eerste en de derde met een kleine variatie. In de slotregel vraagt de lange tweede noot even aandacht: de tekst in elke strofe vraagt hier om een accent. Het lied moet levendig gezongen worden.

Lied 612 Wij komen als geroepen

Sytze de Vries schreef dit lied oorspronkelijk voor een doopdienst, maar het kan veel breder worden toegepast. De eerste zin geeft aan dat het ook als intredezang is gedacht. Het eerste couplet verwijst aan het slot naar Romeinen 8, 17: ‘En nu wij zijn kinderen zijn, zijn we ook zijn erfgenamen, erfgenamen van God. Samen met Christus zijn wij erfgenamen…’ Het twee couplet spreekt over de exodus, de uittocht: ‘Herboren, uitgetogen uit de toevalligheid’. Ook het derde couplet heeft een bijbelse notie: ‘eens was u duisternis maar nu bent u licht, door uw bestaan in de Heer. Ga de weg van de kinderen van het licht’ (Efeziërs 5,8). Dat is een zin uit de epistellezing van de 4e 40dagen-zondag. Tegelijk is dit lied een goede voorbereiding op Pasen en kan het in de Paasnacht bij de doop of doopgedachtenis een plaats hebben.
De melodie werd ruim drie eeuwen eerder geschreven dan de tekst. Heinrich Schütz (1585-1672), één van de belangrijkste Duitse componisten van kerkmuziek, schreef koormuziek bij de psalmberijming van Cornelius Becker (1561-1604). De melodie van dit lied hoorde oorspronkelijk bij de berijming van Psalm 138 en kwam met een andere tekst ook voor in het Liedboek voor de Kerken, als gezang 453.

Lied 852 U komt mij, lieve God

Het passieverhaal vertelt dat Jezus in Getsemane diep bedroefd ter aarde valt (Matteüs 26, 37-38). Die tekst herkennen we in de tweede strofe van dit lied van Jaap Zijlstra. Maar ook de woorden uit Hebreeën 5, 7, een epistellezing voor deze weken, resoneren in de tekst: ‘Christus heeft tijdens zijn leven op aarde onder tranen en met luide stem gesmeekt.’ Een lotgenoot en vriend van hen die lijden.
Een lied dat in de Passietijd een plaats kan krijgen in de liturgie. Toch staat het lied in het Liedboek niet in de rubriek ‘Veertigdagentijd’ of ‘Drie dagen van Pasen’. De redactie heeft het bewust een plaats gegeven bij ‘Levenreis’. Want dit lied is ook, en misschien nog wel meer, veelzeggend in tijden van eenzaamheid, ziekte en te verwachten dood: in dagen van gemis en moeite (strofe 1).
Willem Vogel schreef een melodie die bij het karakter van de tekst past. Opvallend zijn de grote sprongen. Een gedragen tempo doet het lied goed.

Lied 928 Hoe ik ook ben

Een lied, niet geschreven bij het evangelie over de verloren zoon (in het klassieke rooster altijd gelezen in de Veertigdagentijd), maar er wel heel goed bij passend: ‘Hoe ik ook ben / geworden tot niets, / nog ziet mij die Ene’. Een lied dat ook goede diensten kan bewijzen buiten de liturgie, als een mens bevangen wordt door wanhoop en duisternis.
De dichter Hein Stufkens (*1947) schreef de tekst tijdens een oncomfortabele nachtvlucht in de Verenigde Staten. Te krappe plaatsen in het vliegtuig en lawaai van de motoren maakten hem wanhopig. Nadat de woorden op een papieren servetje waren geschreven, overkwam hem een weldadige rust.

Even eenvoudig als de tekst is de trapsgewijze melodie van Fokke de Vries (*1945): in de tweede regel verbeeldt de dalende melodie de tekst: ‘in donker gehuld’, ‘verloren geraakt’, ‘geworden tot niets’. Daar uitgekomen op de laagste noot van de derde regel: ‘nóg wacht mij de morgen’, ‘nóg draagt mij een engel’, ‘nóg ziet mij die Ene’.