Zomertijd

Lied 217 De dag gaat open voor het woord des heren

Dit lied van de week is een algemeen bruikbaar morgenlied. Het kan ene plaats krijgen als openingslied van de kerkdienst.
Oda Swagemakers (1916-2006) was Benedictines in Schoten (bij Antwerpen) en schreef de tekst op een gregoriaanse melodie voor het morgengebed in de kloosters. De eerste regel is meteen fascinerend: ‘De dag gaat open voor het woord des Heren’. Dat wil niet alleen zeggen dat wij de dag openen met het woord van God, maar ook dat elke dag gewijd mag zijn aan het woord van God. Dat woord is – zoals de tweede regel zegt – ‘een zon die wij zoeken’ en een kracht die wij van onszelf ontberen. In de tweede strofe is Psalm 139 herkenbaar. Vanaf de derde strofe richten wij ons tot God, in de vierde strofe wordt het een gebed: dat ons doen en laten gedragen mag zijn door God. Het lied eindigt – zoals de oude Latijnse hymnen – met een lofprijzing aan Vader, Zoon en Geest.
Willem Mesdag (*1930) schreef een nieuwe melodie, warm van karakter. De eerste drie regels hebben hetzelfde ritme, de eerste en derde regel zijn melodisch gelijk.

Lied 319 Alles wat er staat geschreven

Tom Naastepad (1921 – 1996) schreef als toelichting bij dit lied: ‘Dit lied heb ik gemaakt voor eventueel algemener gebruik: vóór of ná de schriftlezing in kerk of gezin.’ Daarom heeft het in het Liedboek een plaats gekregen in de rubriek ‘Rond de Schriften’. Het kan dus goed functioneren wanneer Oude Testament en Evangelie gaan klinken of hebben geklonken: Mozes, David, Abraham en Jezus worden achtereenvolgens genoemd.

Opvallend is natuurlijk de volgorde van deze namen. De vierde strofe spreekt over Abraham, voor wie de sterren sprekend waren, en dat gold ook voor de wijzen die door een ster werden geroepen. Zo zijn de strofen 4 en 5 onlosmakelijk met elkaar verbonden, maar eigenlijk is het hele lied één doorgaande lijn waarin niet geknipt moet worden.

Naastepad schreef zijn tekst oorspronkelijk op een melodie van de Engelse componist John Ireland (1897-1962), maar de Vlaamse priester-musicus Ignace de Sutter (1911-1988) schreef bij de woorden een voor hem typerende wijs: eenvoudig met weinig sprongen.

Lied 418 God, schenk ons de kracht

Bij de evangelie-lezingen uit Marcus kan lied 418 gezongen worden als het gaat om verbondenheid tussen mensen. Dieter Trautwein (1928-2002) schreef zowel de tekst als de melodie. Hij maakte de melodie in november 1978 aanvankelijk bij een bestaande liedtekst. Toen bleek dat de melodie eenvoudig zingbaar was, dichtte hij in dezelfde maand de tekst van dit lied: ‘Komm, Herr, segne uns’. Het is in meer dan tien Europese talen vertaald en zo werd het in en buiten Duitsland heel bekend.
Die bekendheid dankt het ook aan het gebruik als slotlied op Duitse Kirchentage. Maar misschien wel de meeste betekenis kreeg het in Duistland door de plaats die het innam in de vredesgebedsdiensten in de Nicolaikirche in Leipzig in 1989. Deze diensten waren een belangrijke aanzet tot de ‘Wende’.
In Duitsland is het lied geliefd, maar wordt het ook sterk bekritiseerd. De oorspronkelijke tekst kent dan ook veel zwakke plekken. De vertaling van Ad den Besten (1923-2015) heeft het lied in het Nederlands aanzienlijk sterker gemaakt.
Evenals de tekst is de melodie een voorbeeld van eenvoud en helderheid. Alleen de lange noot aan het einde van de vijfde regel vraagt om aandacht.

Lied 647 Voor mensen die naamloos

In de teksten van Henk Jongerius komt vaak de Maaltijd van de Heer ter sprake: het gebroken en gedeelde brood is fundamenteel voor ons bestaan. Dit lied werd oorspronkelijk bij het verhaal van de Emmaüsgangers geschreven, maar is vaker bruikbaar en past ook zeker bij het evangelie van deze (=17 aug.) zondag over de Kanaänitische vrouw.
Jongerius schrijft vooral beschouwende teksten en gebruikt in de verschillende strofen van een lied vaak dezelfde opbouw met herhaling van woorden. ‘Voor mensen die… door het leven gaan’ wordt in elke strofe nader ingevuld: naamloos, roepend, vragend, hopend.
In het tweede deel van de strofe wordt een contrast verwoord ten opzichte van het eerste deel. En dan gaat het steeds over onszelf: ‘wij krijgen een naam’, ‘wij kunnen bestaan’, enz. De mensen voor wie dit lied gezongen wordt, zijn wijzelf.
De tweedeling in de tekst van elke strofe is ook in de melodie goed te horen. Als we de melodie van regel 1 en 4, regel 2 en 5 en regel 3 en 6 met elkaar vergelijken, dan zien we dat een regel in het tweede deel van de strofe steeds een melodische omkering is van de corresponderende regel in het eerste deel. De eigen begeleiding van Jan Raas maakt daarbij ook duidelijk: het eerste deel van de strofe staat in e-mineur, het tweede deel grotendeels in G-majeur. Een rustige en ingetogen zangwijze hoort bij dit lied.

Lied 706 Dans mee met Vader, Zoon en Geest

In het liedboek van de Lutherse Kerk in de Verenigde Staten van Amerika komt dit lied van Richard Leach (*1953) voor over de Drie-eenheid, die daarin wordt voorgesteld als een dans. De gedachte hierachter is dat in een dans de partners gelijkwaardig zijn en er geen hiërarchisch verschil is. We moeten ons daarbij dus een rondedans voorstellen van drie personen. In de eerste strofe wordt de dans ingezet met de schepping: die schepping maakt van de wereld een dansvloer. De tweede strofe gaat over Christus, de derde over de Geest. In de vierde strofe doen wij met deze rondedans mee.
De melodie bij dit lied is een Engelse volksmelodie met de naam ‘Kingsfold’, die bij verschillende teksten voorkomt, het meest bekend is ‘I heard the Voice of Jesus say’. Een lichtvoetige en innige dansmelodie. De melodie heeft een heldere structuur met veel herhalingen, kenmerkend voor het volkslied.

Lied 836 O Heer, die onze Vader zijt

Een geliefd lied uit het Liedboek voor de Kerken, gezang 463, nu als lied van de week. Dat heeft met de melodie te maken. In het liedboek van 1973 staat bij dit lied een melodie van Frederick Charles Maker. Al bij verschijnen van het toenmalige liedboek was er discussie: is deze melodie niet te week voor gemeentezang?
Het is niet vanwege die discussie dat voor het nieuwe liedboek toch een andere melodie is gekozen. Met de melodie die nu bij deze tekst staat, respecteren we de tekst-melodie-combinatie zoals die in Engeland bestaat. De melodie van Maker wordt vooral in de Verenigde Staten gebruikt. De majestueuze melodie van Charles Hubert H. Parry (1848-1918) is afkomstig uit zijn oratorium ‘Judith’ bij de ballad ‘Long since Egypt’s plenteous land’. Het lied is goed bruikbaar bij de wonderverhalen van Jezus, van genezing of van broodvermenigvuldiging.
Voor organisten: de fraaie harmonisatie van Parry is onmisbaar!

Lied 839 Ik danste die morgen toen de schepping begon

Sydney Bertram Carter (1915 – 2004) schreef in de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw een groot aantal liederen, waarbij hij de folk music als uitgangspunt nam. Deze liederen werden in kerkelijke kringen populair, maar kregen geen plaats in officiële kerkelijke liedbundels. Dat deze liederen wel in hedendaagse bundels voorkomen, tekent de veranderende kerkmuzikale cultuur, waarin de ‘klassieke’ kerkmuziek niet meer het monopolie heeft.

Een van de bekendste liederen van Carter is ‘The Lord of the Dance’ uit 1962. Lied 839 is daarvan geen vertaling, maar een zeer vrije bewerking van Ben Sleumer (*1944). De oorspronkelijke kerngedachte is blijven bestaan: de heilsgeschiedenis wordt als een dans verstaan. De relatie tussen dans en liturgie is niet voor iedereen vanzelfsprekend, maar heeft oude papieren. David danste voor de ark; nu wordt de Zoon van David als een danser voorgesteld.

Carter koos bij deze tekst voor de dansmelodie ‘Simple Gifts’ uit de traditie van de Shakers, een niet meer bestaande Amerikaanse sekte, die typerende dansen kende. Het is aan te bevelen de coupletten door een solostem te laten zingen en het refrein door allen. Het lied kan bijv. gezongen worden bij het evangelie over de genezing van de blinde (Marcus 8, 22-26).

Lied 970 Vlammen zijn er vele…

In de Romeinenbrief (12: 4-8) spreekt de apostel Paulus over Jezus’ volgelingen / over de kerk als het ene lichaam en de vele leden. Dit lied verwijst daarnaar, maar ook andere bijbelteksten zijn herkenbaar, zoals de vele ranken aan de ene wijnstok, in Johannes 15: 1-5, en de vele gaven en de ene Geest, in 1 Korintiërs 12.
De Zweedse dichter Anders Frostenson (1906-2006) heeft al die verschillende bijbelgegevens samengebracht tot één lied over eenheid en verscheidenheid in de kerk. De taal is helder en eenvoudig, parallellen in en tussen de strofen maken het lied tot één geheel. Coen Wessel maakte een adequate vertaling.
Even toegankelijk als de tekst is de melodie van Olle Widerstrand (*1932). De vloeiende melodie moet licht gezongen worden. Kenmerkend is het ritme kort-lang dat aan het einde van de eerste, derde, vierde en zesde regel voorkomt. Het accent valt daarbij op de korte noot.
De Zweedse tekst is ook in het Duits, Engels en Spaans vertaald.

Lied 973 Om voor elkaar te zijn uw oog en oor

Delores Dufner (*1939) schreef de tekst van dit lied, afkomstig uit de liedbundel van de lutheranen in Noord-Amerika met als beginregel: To be your presence is our mission here. Daar gaat dit lied over: De roeping van de kerk is Gods aanwezigheid te ervaren en te laten ervaren in het diaconaal handelen. Het is de theologie van de presentie die hier wordt verwoord.
In het origineel wordt de eerste regel ook in de tweede en derde strofe ongewijzigd herhaald. Gert Landman (*1951) geeft in zijn vertaling meer ruimte aan de beschrijving van die presentie: Oog en oor te zijn om te zien wie niet gezien wordt (strofe 1); hand en voet om te helpen wie geen helper heeft (strofe 2); hart en mond om op te komen voor wie verstomd is (strofe 3). Zo worden wij het gezicht van Christus in brood en wijn, tekenen van gerechtigheid en vrede (strofe 4; vgl. Marcus 6, 30-44). De tekst is één doorlopende zin; om het verband te begrijpen moeten alle strofen gezongen worden.
Het lied heeft een melodie van de Ierse componist Charles Villiers Stanford (1852-1924), die hij schreef voor de Engelse tekst van ‘Voor alle heiligen in de heerlijkheid’ (LB 727). Dat verklaart dat elke strofe met een ‘halleluja’ eindigt. Dat is misschien voor ons minder passend bij de inhoud van de coupletten. Maar is ons diaconaal handelen niet een vorm van lof aan God?